Overpeinzingen I

Mensen zijn sociale dieren. Onze samenlevingen zijn in staat gebleken zich aan te passen aan bijna elke omgeving op aarde. De enorme potentie die culturele evolutie met zich meebrengt heeft het mogelijk gemaakt op Lamarckiaanse wijze in een – evolutionair gezien – oogwenk onze soort een voorsprong te geven in de bezetting van onze planeet. Hoewel evolutionaire psychologen er op blijven hameren dat veel van de problemen waarmee wij kampen te maken hebben met een brein dat zich nog in het stenen tijdperk bevindt, is het netto effect wel dat wij de andere zoogdieren verdrongen hebben. Het zijn niet langer de sabeltandtijgers of de hyena’s die ons angst inboezemen. Onze grootste vijanden zijn nu microben en de gevolgen van de overbevolking.

Een direct gevolg van ons sociale gedrag is dat wij clusters vormen van soortgenoten met wie wij nauwere banden hebben dan met de “buitenstaanders”. Aangezien een sociaal netwerk niet kan functioneren zonder een bepaalde vorm van taakverdeling en sociale cohesie, hebben zich groepen gevormd met een min of meer uniform referentiekader. Tijdens de opvoeding is er een proces van concentrische cirkels gaande dat loopt van het gezin, de straat, de school, de stad, het land, naar de wereld. Tegelijkertijd spelen sekse, huidskleur, geschiedenis, geloof, kennis en aanleg een rol in de zelfbepaling ten opzichte van de vele cirkels die we betreden op de weg naar volwassenheid.

Nu zijn er verschillende houdingen denkbaar ten opzichte van het pakket aan waarden dat wij allemaal hebben meegekregen tijdens onze opvoeding. Je kunt het zien als de absolute waardheid en het met hand en tand verdedigen tegenover ongewenste inmenging van buitenaf; je kunt het zien als een tamelijk willekeurige visie op de wereld, doordat je nu eenmaal op die plek bent geboren en niet 10 kilometer verderop; je kunt het zien als een mengeling van universele waarden – bijv. over het omgaan met anderen, met dieren, met het milieu – en lokale gebruiken. Welk pad je ook hebt gevolgd, het is nooit makkelijk en misschien wel onmogelijk om je helemaal los te maken van de manier waarop de wereld zich aan jou heeft geopenbaard. Wanneer we volwassen zijn hebben we een ons een mening over van alles en nog wat eigen gemaakt. Dit noemen we wel het ‘gezonde verstand’. Albert Einstein merkte echter al op dat wat wij onder ‘gezond verstand’ verstaan, niets anders is dan de optelsom van alle vooroordelen die wij in onze jeugd hebben aangeleerd.

De Nederlanders zien zichzelf graag als een open en tolerant volk. Als genetisch bepaalde pluralisten zijn wij een voorbeeld voor de rest van de wereld. Dat elk ander volk er waarschijnlijk net zo over denkt kan ons niet deren. En dat dat beeld niet strookt met de werkelijkheid nog minder. Frans de Waal zegt in ‘Een tijd voor empathie’ ergens dat de geschiedenis van Zuid-Afrika er heel anders had uitgezien indien wij inderdaad ‘van nature goed’ zouden zijn. Wellicht is het een noodzakelijk kwaad dat wij, om een levensvatbaar sociaal netwerk in stand te houden, gedoemd zijn vast te houden aan een fictieve geschiedenis, aan een fictieve ideologische eenheid. De totalitaire regimes hebben dit natuurlijk uitgebuit om de kudde middels een fanatiek nationalisme bijeen te houden, maar in slechts iets mildere vorm komt het overal voor.

De mens veranderen is geen reële optie. De moderne mens leefde minstens de helft van zijn geschiedenis in geïsoleerde groepen; de global village is slechts enkele decennia oud. Alleen een alle politieke en religieuze ideologieën overstijgende consensus zou ons de weg kunnen tonen naar een wereldwijde samenleving. Het wrange feit dat het vooral marginale groepen zijn die zich inzetten voor een meer deontologische benadering van ethische problemen, in tegenstelling tot het utilisme dat het instrument bij voorkeur is van westerse democratieën om zowel interne als externe misdaden te rechtvaardigen.

Aangezien er zoveel bezuinigd moet worden op onderwijs, met name op het onderwijs van de meest kwetsbare en ontvankelijke groep, zou het misschien een idee zijn om vooral de ‘eigen’ geschiedenis te beperken, ten faveure van een meer universele kijk op onze gezamenlijke oorsprong. Je hoeft de ander niet fysiek te kennen om gelijkwaardigheid als cruciale waarde te zien. Als je als kind leert dat alle kleuren, alle soorten en maten mensen zijn ontsproten aan hetzelfde continent, dezelfde emoties en verlangens hebben, dan zou dat uiteindelijk kunnen leiden tot een nieuw ‘gezond verstand’. Als het kan met God en Sinterklaas, dan moet het ook kunnen met menselijke waardigheid zou ik denken.

Engelbert Luitsz