Filosofie of wetenschap?

It is important to recall that our symbolic linguistic systems emerged only recently in human evolution, presumably for purposes other than the pursuit of science.
Jaak Panksepp (1998)

Hoe kunnen we echt iets te weten komen over ons gedrag of ons bewustzijn, zonder een beroep te doen op taal? Tot het werk van Charles Darwin was het maar al te gebruikelijk om in laatste instantie een bovennatuurlijk wezen aan te roepen om de puntjes op de i te zetten. Sinds The Origin of Species is er echter een ommekeer gaande, met name sinds de moderne synthese die in 1942 door Julian Huxley werd beschreven en die bestaat in het samensmelten van het darwinisme met de genetica, waarvan Darwin nog geen weet had.
Een gevolg van die ontwikkeling is dat veel deelgebieden die voorheen tot het domein van de filosofie behoorden, werden geannexeerd door de wetenschap. Het was niet langer voldoende om spitsvondige modellen te bedenken die ons gedrag, ons denken en ons voelen moesten verklaren. Ook de taal waarvan de denkers zich bedienen is het product van evolutie en is, zoals het understatement van Panksepp mooi verwoordt, zelf het product van hersenen die zich gedurende honderden miljoenen jaren hebben gevormd.

Zoals ik in dit stukje zal proberen te illustreren ging dat echter niet vanzelf. Filosofen omarmden niet massaal een naturalistische visie. Een zeer populaire filosofie als het existentialisme ontkende zelfs de menselijke natuur. Dit had ongetwijfeld te maken met onwetendheid. Nog steeds heeft niemand problemen met het feit dat Kenianen geweldige marathonlopers zijn, of dat Aziaten goed kunnen rekenen. Pas wanneer het om intelligentie, agressie of seksuele voorkeur gaat breken de discussies los. Kennelijk worden bepaalde kenmerken als typisch menselijk gezien en ander als meer bijkomstig. Dat in alle gevallen de genetica een rol zou kunnen spelen wordt hier nog wel eens vergeten.

De mens presteert vaak zeer matig als het gaat om het herkennen van oorzaak-gevolgrelaties, of bij het inschatten van de statistische kans dat iets zal gebeuren. Vanuit een evolutionaire benadering zijn hier goede verklaringen voor gegeven. De visie van sommige filosofen dat dit betekent dat “we niet goed nadenken” is alleen waar binnen het filosofische, logische systeem. De aanname dat de wereld een logisch systeem is en dat we de wereld dus pas goed kunnen begrijpen als we onze taal tot een strikt logische maken, het idee van de logisch-positivisten, geeft goed aan hoe weinig rekening er werd gehouden met de biologische grondslagen van ons gedrag en ons denken. Het ideale, logische systeem is een gesloten systeem dat geen rekening houdt met de mens als product van miljoenen jaren evolutie en als onderdeel van een dynamische en interactieve natuur. Deze laatste twee facetten hebben dan ook voor een verschuiving gezorgd van filosoferen over de wereld naar filosoferen vanuit de wereld, namelijk met de kennis die de natuurkunde en de biologie ons kunnen leveren.

Reeds vroeg in de 20ste eeuw beseften sommigen dat wetenschappers interessante dingen over de mens en zijn eigenschappen konden zeggen, die van minstens zoveel inzicht getuigden als de overpeinzingen van de klassieke filosofen.

People complain that our generation has no philosophers. They are wrong. They now sit in another faculty. Their names are Max Planck and Albert Einstein.
Adolf von Harnack (1911)

De taalfilosoof Ludwig Wittgenstein zag bijvoorbeeld geen rol weggelegd voor de (natuur)wetenschappen, zoals hij duidelijk maakt in de Tractatus:

De theorie van Darwin heeft met filosofie niet meer te maken dan
welke andere hypothese van de natuurwetenschap dan ook.
Ludwig Wittgenstein (1921)

Zijn ideeën in de Tractatus hingen aan tegen het referentialisme van Augustinus, waarin ethische en esthetische vraagstellingen geen plaats hadden, aangezien er geen objecten waren die ondubbelzinnig correspondeerden met de talige verwijzingen.
In zijn latere werk – de beroemde taalspelen – ontstaat daarentegen een relativistische visie op taal. Dit zou vanaf omstreeks 1950 leiden tot het postmodernisme, dat zijn naam kreeg door een boek van de Franse filosoof Jean-François Lyotard  (La condition postmoderne. Rapport sur le savoir  uit 1979). Elk discours is gelijkwaardig. Het is het einde van de grote verhalen. Al lang voor het verschijnen van het Lyotards boek merkte Eric Lenneberg echter al schamper op: “Wittgenstein and his followers speak of the word game, thus likening languages to the arbitrary set of rules encountered in parlor games and sports.” Na de revolutionaire visie van Noam Chomsky was Lenneberg met zijn Biological Foundations of Language uit 1967 de meest pregnante voorstander van een kijk op de menselijke cognitie die uitging van biologische grondslagen. Regels zijn niet willekeurig en het leerproces is niet een simpel stimulus-responsproces.

Dit maakte de weg vrij voor biologen om zich eveneens te buigen over de grote vragen die de mens altijd heeft beziggehouden: Wie zijn wij? Hoe vergaren wij kennis over de wereld?
In 1976 verscheen The Selfish Gene van Richard Dawkins. Ook hier wordt gerelativeerd, maar heel anders dan de postmodernisten deden. De biologische visie gaat uit van continuïteit: de mens is niet de kroon op de schepping, maar een zijtakje ergens in de onafzienbare struik die het leven op aarde voorstelt. Die continuïteit betekent echter ook dat er beperkingen zijn aan wat wij kunnen, we bestaan immers uit onderdelen die we voor een deel gemeen hebben met reptielen. Ons bewustzijn is slechts een fractie van de informatie die ons brein verwerkt en onze emoties sturen ons denken meer dan we willen toegeven.

Een jaar eerder was Edward Wilsons Sociobiology verschenen, waarvan vooral het laatste hoofdstuk – over de mens – tot groot verzet leidde. De idee dat onze genen een beperking opleggen aan onze cultuur stond haaks op het verlangen om de mens te zien als een vrij wezen dat zijn eigen lot kon bepalen.
Het is hem door filosofen niet in dank afgenomen dat ook de ethiek, zo bij uitstek een menselijk en rationeel product naar het schijnt, in biologisch-evolutionaire termen verklaard zou kunnen worden.

Scientists and humanists should consider together the possibility that the time has come for ethics to be removed temporarily from the hands of the philosophers and biologicized.
E.O. Wilson (1975)

Sinds 1981 is bijvoorbeeld Frans de Waal onverdroten bezig ons te wijzen op overeenkomsten tussen ons sociale gedrag en dat van onze naaste verwanten, de bonobo’s en chimpansees. Bovendien is een van De Waals speerpunten dat diergedrag niet uitsluitend agressie is. Ook andere zoogdieren kunnen voor elkaar opkomen, voedsel delen, of gewoon lief zijn voor elkaar.
In een bespreking van Daniel Dennetts “Darwin’s Dangerous Idea: Evolution and the Meanings of Life” onderschrijft ook de grote bioloog John Maynard Smith het belang van een natuurwetenschappelijke kijk op de mens.

I have thought for some time that Dawkins and Williams have made a more fruitful contribution to philosophy than most philosophers, and I am pleased to see this opinion so generously recognized.
John Maynard Smith (1995)

En ook de mede-ontdekker van de structuur van ons DNA, Francis Crick, zit op dat spoor.

We think that most of the philosophical aspects of the problem should, for the moment, be left on one side, and that the time to start scientific attack is now.
Francis Crick & Christoph Koch (1998)

Darwin besteedde wijselijk weinig aandacht aan de afstamming van de mens in The Origin of Species. Het Victoriaanse Engeland zou hem verketteren. Pas 12 jaar later in The Descent of Man werkt hij zijn ideeën uit. Sindsdien werd het werk van Mendel herontdekt en ontstond langzamerhand de moderne genetica, waarmee een schat aan kennis over onze fylogenetische en ontogenetische ontwikkeling werd blootgelegd. Het is dus opmerkelijk dat er een eeuw later zoveel ophef was over het magnum opus van Edward Wilson. De oorzaak daarvan was echter niet wetenschappelijk, maar kwam voort uit de verschillende ideologieën die in de 20ste eeuw nog steeds een tabula rasa-model hanteerden om de mens zijn vrijheid te waarborgen (mits geconformeerd aan de ideologie uiteraard!). Dat vasthouden aan een extreme vorm van plasticiteit, of het nu uit feministische, marxistische of religieuze hoek kwam, heeft de filosofische waarde van de filosofie geen goed gedaan.
Nog zeer recent schreef Chris Buskes in zijn voortreffelijke overzicht van de naturalistische aanpak “Evolutionair denken”:

Filosofen zijn van mening dat hun vakgebied de wetenschap overstijgt. De wijsbegeerte is immers de koningin der wetenschappen. Nu echter duidelijk wordt dat de wetenschap steeds meer onderzoeksgebieden annexeert die voorheen aan filosofen toebehoorden, begint het hun langzaam te dagen dat kennis van de hedendaagse wetenschap onontbeerlijk is. En van alle wetenschap is waarschijnlijk geen theorie relevanter voor filosofen dan de evolutietheorie.
Chris Buskes (2006)

De meest recente uiting is wel de bestseller “Wij zijn ons brein” van Dick Swaab. Al worden bij zijn deterministische kijk door nogal wat vakgenoten terecht kanttekeningen gezet. Het spreekt het publiek kennelijk aan, vooral als het om “slechte” dingen gaat. De gedachte dat goede mensen dat op eigen kracht worden en dat slechte mensen gewoon de pech hebben dat ze slechte genen hebben, geeft mensen een misplaatst gevoel van eigenwaarde.
In een griezelige column van Naema Tahir voor Buitenhof, waarin ze het heeft over het herkennen van pedofielen zei ze: “Heel eenvoudig. Door een MRI-scan van de hersenen verplicht te stellen bij relevante functies.” Met uiteraard een verwijzing naar Dick Swaab. De politiek is er nooit vies van geweest om de wetenschap te misbruiken voor de eigen duistere zaken. Het gevaar van wat sound bites die niet gebaseerd zijn op kennis van zaken, maar des te meer de onderbuikgevoelens aanwakkeren, moeten we niet onderschatten.

De naturalistische aanpak kan een uitstekende basis bieden om kennisproblemen op een nieuwe manier te benaderen, maar het doorslaan naar een ongefundeerd determinisme moeten we tot elke prijs zien te vermijden. Daar zouden filosofen  weer een uitstekende rol kunnen vervullen. Niet door onder of boven de natuurwetenschappen te gaan staan, om met Wittgenstein te spreken, doch door er middenin te staan en wetenschappers er op te blijven wijzen dat feiten zelf niets zeggen: kennis is interpretatie van feiten. We moeten de dochters van de aarde blijven huwen met de zonen van de hemel. En geen ander is daarvoor meer geschikt dan de filosoof.

Engelbert Luitsz

1 comment for “Filosofie of wetenschap?

  1. Jan Jansen
    December 26, 2011 at 10:59 pm

    Interessant verhaal. Moet het nog wel een paar keer lezen.

Comments are closed.