Golfbewegingen van angst en hoop

40. Jahrestag des Sechs-Tage-Kriegs

Israëlische soldaten in 1967, het begin van de bezetting van de rest van Palestina (Spiegel Online).

Nu de extreem-rechtse regering van Israël elke schijn van rationaliteit lijkt te hebben verloren, komen er ook meer tegengeluiden op. Nog steeds is het zo dat interne protesten bij voorkeur genegeerd worden zolang dat nog kan. Dat was bijvoorbeeld het geval met de mars voor vrede van duizenden vrouwen. Zij liepen in twee weken vanaf de grens met Libanon naar Jeruzalem, waar de mars eindigde voor de residentie van premier Netanyahu. Onder het motto “Vrouwen voeren vrede” (“Women Wage Peace“) begon deze groep na de aanval op de Gazastrook van 2014 met de voorbereidingen. Er werd gekozen voor een diplomatieke en geen politieke insteek, om religieuzen, seculieren, mensen van links, rechts en het centrum aan te trekken. En toch was er nauwelijks media-aandacht voor dit initiatief. De website Al-Monitor schreef in een terugblik:

Ondanks de intense ervaring van de vrouwen die deelnamen bleven de meeste Israëli’s thuis, zelfs zij die voor een diplomatieke oplossing zijn. Het is maar de vraag of ze zelfs van de mars gehoord hebben.

Een ander voorbeeld dat speelt is een opnieuw opgelaaide discussie over de Nakba, de etnische zuivering vanaf 1947. De bekendste naam buiten Israël met betrekking tot deze periode is Ilan Pappé, de Israëlische historicus die met zijn boek De etnische zuivering van Palestina (Engels 2006, Nederlands 2008) veel mensen de ogen opende. Maar Pappé woont al bijna tien jaar in Engeland en heeft daardoor minder gezag in Israël dan hij zou moeten hebben. Een collega van hem, Benny Morris, maakte de overstap van een aanvankelijk zeer kritische houding ten opzichte van het officiële zionistische verhaal naar een verdediging van het zionisme. Maar Morris woont wel in Israël.

Premier Netanyahu maakte onlangs de absurde opmerking dat de Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever uit zijn op de “etnische zuivering van joden” wanneer ze protesteren tegen de bezetting. Dat kwam hem op een fel stuk te staan van de Israëlische historicus Daniel Blatman, specialist op het gebied van de moderne joodse geschiedenis, de holocaust en nazi-Duitsland (Netanyahu, This Is What Ethnic Cleansing Really Looks Like). Dat artikel zou wellicht net zoals zoveel andere snel weer vergeten zijn, ware het niet dat Benny Morris er in dezelfde krant op reageerde. Hij deed dat met een persoonlijke aanval op Blatman (vergelijkbaar met de manier waarop hij eerder al Ilan Pappé in diskrediet had proberen te brengen). Blatman kwam daarop terug en ook anderen gingen zich ermee bemoeien. De discussie is nog niet afgelopen, maar het punt is dat het ook hier weer binnenskamers bleef.

Geen vuile was buiten hangen!

Anders wordt het wanneer men vanuit Israël in een internationale arena kritiek uit. Twee zaken die nu spelen zijn aan de ene kant een UNESCO-resolutie waarin fel wordt uitgehaald naar de agressieve manier waarop Israël de Al-Aqsamoskee probeert te claimen, en anderzijds een speech van Hagai El-Ad, directeur van de mensenrechtenorganisatie B’Tselem, voor de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. In die gevallen dreigt de zionistische propaganda de controle te verliezen en dus wordt elk inhoudelijk argument genegeerd, om vervolgens de aanval te openen op de UNESCO, B’Tselem en Hagai El-Ad persoonlijk (men wil hem zelfs zijn Israëlisch staatsburgerschap afnemen en vanuit het rechtse kamp kwamen talloze doodsbedreigingen aan zijn adres).

Diverse Israëlische politici hebben zich expliciet uitgelaten over hun wens om het moslimheiligdom te vervangen door een joodse tempel. Een van de gevaarlijkste is wel de Likoed-politicus Yehuda Glick, een man met messiaanse waanbeelden. Toen Israël in 1967 Oost-Jeruzalem innam ontstond er al snel een beweging van extremisten die zich gingen voorbereiden op het herbouwen van de joodse tempel die bijna 2000 jaar geleden door de Romeinen werd verwoest. De Amerikaans-joodse blogger Richard Silverstein noemt dit “kolonistenjudaïsme“. De beweging heeft haar eigen “heiligen”, iets wat niet thuishoort binnen het judaïsme, maar deze “heiligen” zijn dan ook notoire joodse terroristen als Meir Kahane en Baruch Goldstein (Yom Kippur: Losing My Religion).

In een tamelijk bitter opiniestuk in de krant Haaretz reageert Samah Salaime Egbariya op de recente ontwikkelingen (We Won’t Worship the Zionist Golden Calf. Deal With It). Al het bovenstaande kan ook samengevat worden als de zionistische druk om iedereen, artiesten, onderzoekers, historici, activisten en journalisten de mond te snoeren. Kritiek op de nationalistische geschiedschrijving is taboe. Maar in Palestina zijn de demografische verhoudingen ongeveer 50% Palestijns en 50% joods (allebei rond de zes miljoen), dus dan moet je wel erg veel ongewenste geluiden in de kiem zien te smoren. Samah schrijft:

Mijn grootmoeder Raya die in het dorp Sajeera woonde dat in 1948 werd verwoest – verwoest, uiteraard, zonder dat er sprake was van militair ingrijpen en waarvan de inwoners vertrokken om te gaan picknicken. Een picknick van 70 jaar in vluchtelingenkampen…

En:

Het is nu wel duidelijk dat het niet volstaat het nationale archief op slot te doen; het volstaat niet om iedereen met een grote mond buiten het publieke debat te houden; met het herschrijven van de geschiedenis- en maatschappijleerboeken zal het niet lukken.

De twee elementen die nodig zijn om een volk in dergelijke omstandigheden in het gareel te houden zijn enerzijds de interne censuur gekoppeld aan indoctrinatie in opvoeding en onderwijs, en anderzijds agressieve campagnes om interne en externe critici de mond te snoeren. En waarschijnlijk de oudste methode om dat te bereiken is angst.

De minister-president weet als geen ander dat niets zo geschikt is om het land te regeren dan een angstig joods volk.

Administratieve detentie uitbreiden

Administratieve detentie, het oppakken van mensen en die vervolgens zonder vorm van proces maanden of zelfs jaren vastzetten, is een gangbare praktijk in de bezette gebieden. De Palestijnen daar vallen onder het Israëlisch militair recht waardoor veel mogelijk is dat in Israël zelf niet zou kunnen. Maar nu na bijna 70 jaar er meer draagvlak lijkt te komen onder de Israëlische bevolking om de bezetting te veroordelen, wordt het tijd om deze draconische maatregelen ook in eigen land toe te passen.

Bestaande wetten staan administratieve detentie en andere beperkende maatregelen uitsluitend toe tijdens een “noodtoestand”. Dat voorbehoud was ingevoerd om het gebruik van die maatregelen te beperken, maar aangezien de noodtoestand de officiële status is sinds de oprichting van Israël in 1948, zijn ze routine geworden.

Dat schrijft Jonathan Lis vandaag in Haaretz naar aanleiding van een wetsvoorstel om zowel de administratieve detentie als andere beperkende maatregelen los te koppelen van de noodtoestand. Het gevolg daarvan zou kunnen zijn dat Israëli’s vanwege een speech of artikel naar de gevangenis gestuurd kunnen worden. Een onderdeel is ook het uit de geschiedenis bekende Berufsverbot: bepaalde beroepen zouden niet mogen worden uitgeoefend door iemand die een “veiligheidsrisico” is, waarmee ook iemand zou kunnen worden aangeduid die exclusief joodse aanspraken op het land ontkent. Daarnaast kan het iemand verboden worden bepaalde locaties te bezoeken, of omgekeerd een locatie te verlaten (Bill Would Give Defense Minister Broad Powers Against Israelis Deemed ‘Public Safety’ Threat).

Wat uit de beschrijving van Lis blijkt is wel dat deze wet helemaal is toegesneden op de minister van Defensie, de beruchte Avigdor Lieberman. Normaal gesproken zou er goedkeuring moeten komen van de minister van Binnenlandse Zaken, maar in “urgente gevallen” zou Lieberman op eigen houtje mogen opereren (enkele “urgenties” van Lieberman beschreef ik eerder deze week al in Lieberman wil Gaza vernietigen).

Een sprankje hoop

Samah Salaime Egbariya waarschuwt net als vele anderen in heden en verleden voor het fascisme in Israël. Dit laatste wetsvoorstel is opnieuw een duidelijk signaal dat het de verkeerde kant op blijft gaan. De meedogenloze aanvallen vanuit zionistische kant zoals hierboven beschreven zijn slechts het topje van de ijsberg, maar als we dan toch iets positiefs willen zien dan is het wel dat het voor Israël steeds lastiger wordt om felle critici door middel van laster en bedreiging de mond te snoeren. Steeds minder mensen pikken het om voor jodenhater te worden uitgemaakt wanneer zij het opnemen voor miljoenen onderdrukte Palestijnen en wijzen op de inherent racistische kenmerken van het zionisme.

Samah wijst op die moedige joden, wier aantal nog beperkt is, maar die een belangrijk onderdeel zijn van een gemeenschappelijke visie op Palestijnen en joden uit Israël en iedereen uit de bezette gebieden.

Gelukkig is er een kleine groep dappere joden rondom ons opgestaan en ook zij zijn van mening dat het de verkeerde kant opgaat; met hen kunnen we in dialoog, waarbij wederzijdse kritiek mogelijk is. Sommigen zijn Asjkenazische joden en anderen zijn Mizrachim, maar ze hebben allemaal een plaats in deze nieuwe, krachtige dialoog die onvermijdelijk lijkt, gezien het opkomend fascisme.

Engelbert Luitsz