Nationalistische mythen van het zionisme

Gaza 2014

1948 of 2014, de beelden zijn identiek. Palestijnen die hun schamele bezittingen oppakken, omdat ze geen woning meer hebben.
(Gazastrook, juli 2014, via Electronic Intifada)

Het nationalisme

De wortels van het joods nationalisme in het moderne Israël liggen niet in het historische Israël of Judea, maar in Babylon. In de vijfde eeuw voor Christus werd een groot deel van de joden door de Babyloniërs naar Babylon overgebracht. In de mythologie wordt deze “ballingschap” als een zwarte bladzijde gezien, in werkelijkheid hadden de meeste joden het daar aanmerkelijk beter dan in het primitieve Jeruzalem. Sommigen kregen hoge posities binnen de regering en er was vrijheid van godsdienst. Ook de financiële wereld, hoe eenvoudig ook in die tijd, lag voor hen open. De Franse econoom Jacques Attali schrijft in zijn cultuurgeschiedenis van het joodse volk “De joden, de wereld en het geld” bijvoorbeeld:

In de archieven van een van de allereerste kredietinstellingen ter wereld – het “Huis Murashu” in Nippoer, dat via erg eenvoudige technieken van aandelen in de winst landbouw en handel financiert – heeft men de namen gevonden van zeventig joodse geldschieters en contracten die door evenveel joodse als Babylonische zakenlui zijn ondertekend.

Een kleine groep joden nam hier echter geen genoegen mee. De open en tolerante samenleving maakte het onmogelijk een exclusief joodse theocratie te stichten. Toen zo’n vijftig jaar later de Perzen Babylon veroverden en Cyrus II de Grote het de joden toestond terug te keren naar Judea, maakte die groep daar dankbaar gebruik van. Ondertussen hadden ze daar al veel van hun belangrijkste geschriften vervaardigd, zodat ze een basis hadden om in Judea te doen wat in Babylon niet mogelijk was geweest.

Maar waarom hield deze elite zo vast aan een identiteit die lang niet door alle joden werd gedeeld en ook niet een reactie was op discriminatie of vervolgingen? De filosoof Bertrand Russell legt in zijn “Geschiedenis der westerse filosofie” uit dat het te maken heeft met het monotheïstische geloof in een almachtige God. Als alles de wil van God is, kan een ballingschap niets anders zijn dan een straf voor verkeerd gedrag.

Als Jahwe almachtig was en de joden zijn eigen volk waren, kon hun lijden slechts worden verklaard uit hun slechtheid. Men ging uit van het idee van de vaderlijke kastijding: de joden moesten door straf worden gelouterd. Onder invloed van deze opvatting ontwikkelden zij tijdens de ballingschap een orthodoxie, die veel strenger en exclusief-nationalistischer was dan zij ooit hadden gekend toen zij nog onafhankelijk waren.

Het leven in een open samenleving maakte deze mensen dus juist fundamentalistisch, zoals we tegenwoordig zouden zeggen. De eerste slachtoffers van die nieuwe houding waren de joden die waren achtergebleven in Judea. Deze hadden een normaal contact met de buurvolken, er was handel, er werd getrouwd, kortom het leven zoals we dat graag zien. Hier maakten deze orthodoxe joden resoluut een eind aan. Gemengde huwelijken werden ontbonden en kinderen uit die huwelijken werden net als iedereen die niet als jood werd gezien, de stad uitgejaagd.

De nieuwe leer was in Babylon opgesteld, maar ze presenteerden zich tegenover de bevolking van Judea alsof zij de enige ware leer verkondigden en alsof die leer van godsverering altijd zo veeleisend was geweest. Zij maakten de achterblijvers wijs dat zij het waren die van het rechte pad waren afgedwaald. Historisch gezien klopte daar niets van, maar ze hadden de macht hun wil op te leggen aan de lokale bevolking. Het is een kwestie die vandaag de dag nog speelt in Israël (dat op historisch-ideologische gronden beter Judea zou kunnen heten). Ook Simon Schama ontkomt er niet aan om in zijn “De geschiedenis van de joden” deze cruciale ommekeer te benoemen.

Voor het eerst (maar niet voor het laatst) weerklonk het debat over ‘wie is een jood’, waarmee Ezra een grootscheepse en meedogenloze schifting lanceerde van degenen die beschouwd werden als besmet door ‘uitheemse’ cultussen.

Ook in 2016 is het in Israël niet mogelijk voor een jood om met een niet-jood te trouwen en ook nu wordt door sommige orthodoxe joden (met, als het zo uitkomt, steun van seculier rechts) jacht gemaakt op het Reformjodendom, de meer liberale joden (en uiteraard op alles wat seculier, multicultureel en “links” is). De ontwikkeling van het moderne Israël heeft gezorgd voor een soort mengvorm waarbij de staat met z’n symbolen voor een deel de functie van de religie heeft overgenomen. En dat noemen we (ultra)nationalisme.

De diaspora

De verspreiding van joden over de wereld was al aan de gang voordat het judaïsme een geformaliseerde religie werd. De volgende stap om het idee van een volk dat verbannen is in stand te houden werd mogelijk gemaakt door de Romeinen. Het waren ook hier niet “de joden” die verantwoordelijk waren voor de ontwikkelingen, maar met name een groep fanatici die bekend staan als de Zeloten. De naam zeloot is nog steeds bekend als iemand met een overdreven (geloofs)ijver, maar in die tijd leken ze meer op de moderne “rebellen” van IS. Zij waren het die opstanden tegen de Romeinen begonnen, wat in het jaar 70 leidde tot de val van Jeruzalem. De Zeloten keerden zich meedogenloos tegen joden die voorstander waren van diplomatie en onderhandeling. Ook dat zien we tweeduizend jaar later terug bij de zionistische terreurgroepen in Palestina die het vaak op joden gemunt hadden die in hun ogen te tolerant waren. De moord op Yitzhak Rabin in 1995 door een joodse extremist past ook in die traditie.

De diaspora of verstrooiing is een mythe. Er waren wel perioden waarin er op grote schaal door oorlog of opstand joden werden verdreven, maar nooit allemaal. Bovendien hadden talloze joden om uiteenlopende redenen zelf al besloten verder te kijken. Nieuwsgierigheid naar andere oorden, handel en onvrede met de orthodoxe terreur binnen het jodendom bijvoorbeeld. Daarnaast waren er perioden dat er buiten Palestina ook intensief nieuwe joden werden geworven (zie bijvoorbeeld Shlomo Sand: The Invention of the Jewish People). Toch worden de afstammelingen van deze mensen meegenomen in het begrip “ballingschap” dat nog steeds een belangrijk onderdeel is van de joodse identiteit. Anders zou Israël immers niet hoeven te bestaan.

Eind dit jaar verschijnt er eindelijk een Nederlandse vertaling van Oswald Spenglers klassieker “De ondergang van het Avondland“. Zijn organische visie op beschavingen die opkomen en weer ten onder gaan heeft hem het epitheton cultuurpessimist opgeleverd. Hij ontkende dat zelf, hij beschreef alleen processen, zonder daar een waardeoordeel aan te koppelen. De twee delen verschenen in 1918 en 1922, dus op het moment dat het politiek zionisme na de Balfour-declaratie van 1917 en dankzij de Britten vaste voet aan de grond kreeg in Palestina. Spengler heeft het ook kort over het zionisme:

De verwoesting van Jeruzalem had slechts betrekking op een zeer klein deel van de natie, een deel dat bovendien spiritueel en politiek het minst van belang was. Het is niet waar dat het joodse volk sinds die dag in de “diaspora” heeft geleefd, want het leefde al sinds eeuwen (net als de Perzen en anderen) op een manier die onafhankelijk was van een eigen land.

De toevoeging “Het is niet waar dat..” lijkt er op te duiden dat hij hier ingaat tegen een heersende opvatting. En ook al is er sindsdien door het werk van talloze historici en archeologen aangetoond dat Spengler hier volkomen gelijk heeft, als cultureel erfgoed blijft de mythe van de “diaspora” toch een rol spelen.

Het meest morele leger ter wereld

De documentaire Censored Voices gaat over getuigenissen van soldaten na de Juni-oorlog van 1967. Deze oorlog wordt ook wel de Zesdaagse Oorlog genoemd, een verwijzing naar het Bijbelse verhaal van de schepping. Op de zevende dag kunnen we uitrusten want dan is de klus geklaard. Iedereen weet dat het sindsdien alleen maar erger is geworden, maar dit religieuze concept trok veel orthodoxe twijfelaars over de streep. De opnames, die onder anderen door Amos Oz werden gemaakt, werden door de legerleiding gecensureerd. Vorig jaar werden ze dan eindelijk voor een groot publiek beschikbaar gesteld. De documentaire werd zelfs op het prestigieuze Sundance Festival getoond. In 1967 werden er nog eens meer dan 200.000 Palestijnen verdreven, slechts 20 jaar na de Nakba, dus voor velen was dit al de tweede keer in hun leven.

Het zal niemand verbazen dat de verhalen van de soldaten helemaal geen blijk geven van een bijzondere vorm van moraliteit. Het was al genoegzaam bekend hoe het Israëlische leger in 1948 had opgetreden, waarbij moorden, verkrachtingen, plunderingen en verwoestingen niet geschuwd werden. In 1949 had S. Yizhar de novelle “Khirbet Khizeh” gepubliceerd, waarin de ik-persoon, een Israëlische soldaat, verslag doet van de ontruiming van een Palestijns dorp. Het boekje beschrijft slechts een detail van de Palestijnse exodus, maar zo indringend geschreven dat het nog steeds indruk maakt. In Israël was het een bestseller, maar het duurde tot 2008 voordat er een Engelse vertaling kwam. Dat had ongetwijfeld te maken met de psychologie, de gewetenswroeging waarmee ook een schrijver als Amos Oz graag koketteert. Dan zeg je eigenlijk: ja, het is erg wat er is gebeurd, maar zo slecht zijn wij toch ook niet, want we worstelen ermee. Het probleem is natuurlijk dat het tot op de dag van vandaag doorgaat, dus hoe lang kun je je nog blijven verschuilen achter je geweten?

Het is juist om die reden dat men concepten als “het meest morele leger” of “de zuiverheid der wapenen” ging inzetten. Zoals we boven zagen bij de religieuze interpretatie van de verbanning naar Babylon zien we ook hier hoe een afwezigheid van universele ethiek leidt tot het “goedpraten” van dat wat er gebeurt. Alles is de wil van God, dus we hoeven ons alleen maar af te vragen waarom dit gebeurt, niet of het goed of slecht is. God wil dat het volk terugkeert naar zijn land. Dat is een nobel streven en dus heiligt het doel de middelen. Het is daarnaast ook van groot belang dat de soldaten zelf het gevoel hebben dat het goed was wat ze deden, zodat ze niet wakker liggen van de gruwelen die ze hebben aangericht. Die gruwelijke details die S. Yizhar bewust vermijdt kwamen later dankzij historici als Ilan Pappe en Benny Morris toch bij een groot publiek terecht en die kregen dan ook een veel minder enthousiast onthaal.

Het blijft schipperen. Wat kan men laten zien om de indruk te wekken dat we met een democratie te maken hebben, of dat er vrijheid van meningsuiting bestaat, zonder dat het joodse karakter van de staat wordt geschaad? Een interessant voorbeeld is een recent artikel van Amir Oren voor Haaretz, getiteld The truth about the Israel Defense Forces, ‘the world’s most moral army’. Uit betrouwbare bron heb ik vernomen dat de Engelse versie veel korter is dan de Hebreeuwse, tot wel 40%. Wat is er weggelaten en waarom? Het artikel is een reactie op de uitspraken van een hoge militair die het had over de menswaardigheid en de zuiverheid der wapenen binnen het Israëlische leger, gerelateerd aan de joodse erfenis. Niet alleen maakt Oren gehakt van die onzin, hij wijst er nog eens op dat we ons niet moeten beperken tot de bezetting om te begrijpen waar de steeds extremistischer houding ten opzichte van de Palestijnen vandaan komt.

In werkelijkheid was het de Onafhankelijkheidsoorlog van 1948-49 waarmee de catalogus van moord, verkrachting, plundering, minachting voor menselijk leven – ook voor Israëlisch leven – werd gelanceerd, gevolgd door de oorlogen van 1956 en 1967. Er bestaat geen eenduidige “joodse moraal”. Er bestaat geen gruweldaad waar joden zich niet aan schuldig hebben gemaakt, ook al was het in mindere mate dan anderen qua aantallen en omvang.

Twee zaken komen voortdurend terug: de (militaire) censuur en het feit dat (oorlogs)misdadigers zelden serieus bestraft worden als ze joods zijn en het om daden gaat die gericht zijn tegen Palestijnen. Het gevaar van die censuur is onder andere dat soldaten soms op een missie worden gestuurd zonder te weten dat ze met mensen te maken krijgen die een diepe haat tegen hen koesteren vanwege iets wat een andere soldaat heeft gedaan. Daarmee zet Israël de levens van de eigen mensen op het spel. Het Israëlische leger is uiteraard “niet slechter en niet beter” dan welk ander leger dan ook. Maar mensen zullen dat wel aanvoelen en dan werkt een vaak agressieve propaganda om iedereen te doen geloven dat het Israëlische leger anders zou zijn juist averechts.

Richard Silverstein benoemt deze mythe over het leger ook in zijn uitvoerige bespreking van de documentaire Censored Voices.

Het neemt direct z’n toevlucht tot geweld en probeert meteen daarna de eigen daden als defensief en noodzakelijk voor het voortbestaan van de staat voor te stellen. Dat is de zionistische mythe van eeuwig slachtofferschap en existentiële noodzaak.

Samenleven

Een logisch gevolg van een nationalistische ideologie is dat je het volk moet wijsmaken dat samenleven met de “ander” niet mogelijk is. Het is dan ook niet prettig voor de hardliners onder de zionisten wanneer een Israëlische hoogleraar een boek schrijft over hoe joden en Arabieren het prima konden vinden totdat zionisme en Arabisch nationalisme roet in het eten gooiden. Het boek van de universiteitsdocent Menachem Klein, “Lives in Common: Arabs and Jews in Jerusalem, Jaffa and Hebron”, verscheen enkele jaren geleden in het Engels en nu is er ook een Hebreeuwse vertaling. Vandaar dat er een uitgebreide bespreking verscheen op de website van het bloggerscollectief +972 door de Israëlische activist Noam Rotem.

Het boek beschrijft een periode aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw. Citaten zijn uit Rotems recensie, niet uit het boek.

Toen het Ottomaanse Rijk, dat indertijd over Palestina heerste, tegen het eind van de 19e eeuw z’n macht begon te verliezen begon er een nieuwe, lokale identiteit te ontstaan uit de gedeelde levenservaringen van joden en Arabieren. Deze identiteit, die boven de religies stond, werd gedeeld door moslims, joden en christenen.

Het was een organische samenleving, niet gebaseerd op een overkoepelende ideologie of een duidelijk politiek programma. Bovendien was het een voornamelijk agrarische samenleving, zonder eigen leger of politiemacht en dus ook zonder ervaring met het afslaan van vijanden. De Europese, joodse kolonisten waren echter wel onderdeel van een politiek programma en begonnen zich ook al heel vroeg militair te organiseren. Onderwijs was een belangrijke factor, net als het introduceren van een nieuwe taal, het Nieuw Hebreeuws of Ivriet, die meteen een wig dreef tussen zionisten en Arabieren. Al in 1905 hadden de zionisten gezorgd voor een Hebreeuwse middelbare school, het Herzliya Hebreeuwse Gymnasium. Iemand van de eerste lichting was Moshe Menuhin, de vader van Yehudi, en hij herinnerde zich later vooral hoe de joodse kinderen op school geïndoctrineerd werden en elke dag ingestampt kregen dat het vaderland “goyim rein” moest worden, vrij van niet-joden dus. Het niet kunnen samenleven zoals dat wordt voorgesteld door de Israëlische nationalisten is dus niet het gevolg van een geconstateerd feit, doch integendeel het gevolg van een gerichte campagne. En dat is in al die jaren niet veranderd. Het boek van professor Nurit Peled, “Palestine in Israeli School Books” uit 2012 laat bijvoorbeeld zien hoe het onderwijs in Israël gericht is op het afzonderen en kleineren van de niet-joodse bevolking.

Noam Rotem verzucht dan ook bij het lezen van Kleins boek:

Het laat ons zien dat deze vorm van samenleven, ondanks alles wat ons is geleerd door het Israëlische onderwijssysteem, toch mogelijk is.

De nieuwe immigranten deden geen enkele poging zich aan te passen aan het leven en de gebruiken van het Midden-Oosten. Zij creëerden een beeld van de Hebreeuws sprekende tzabar (sabra) als authentieke jood, tegenover de Arabische jood.

De mythe van de tzabar werd gecreëerd door een cultuur van immigranten die zichzelf als oorspronkelijke bewoners wilden zien. Landkaarten werden opnieuw getekend en Arabische namen van plaatsen werden genegeerd of veranderd in Hebreeuwse namen. Dat gebeurde niet alleen met het oogmerk om de immigranten te veranderen in autochtonen, maar ook om aanspraak te kunnen maken op het land van hen die er eerder waren.

Tot slot

Het boek van Menachem Klein ontkracht opnieuw een van peilers van de zionistische propaganda, namelijk dat samenleven met Palestijnen niet mogelijk zou zijn. Vijf jaar geleden werd Klein een promotie onthouden, net als een collega van hem, Ariella Azoulay, die filosofie doceert. De historicus Ilan Pappe werd zelfs bedreigd en verliet Israël uiteindelijk. Nurit Peled wordt gezien als dé expert op haar vakgebied, maar wordt vaak niet uitgenodigd op congressen. En dan beperk ik me hier nog tot joodse Israëliërs. Dat is de prijs die je in Israël betaalt voor een kritische houding. Met kritisch bedoelen we in dit geval een poging om tot een fatsoenlijke samenleving te komen. Indien mythe de maatstaf blijft zullen meer en meer mensen van goede wil aan beide kanten het slachtoffer worden. De wetten om dat mogelijk te maken zijn al in de maak.

Engelbert Luitsz

4 comments for “Nationalistische mythen van het zionisme

  1. Ada Mars
    April 6, 2016 at 10:52 am

    Is niet die ballingschap zelf een mythe? Om te beginnen waren er toen sowieso helemaal geen joden, want die naam is pas veel later ontstaan. Ik acht het eerder mogelijk dat in Babylon er mensen waren die zich tot een andere vorm van geloof bekeerden en, zoals dan gebruikelijk is, zich beter achtten dan de andersdenkende. Diit geloof zich van daaruit zich kon verspreiden door de tolerantie van de Perzen. Zelf waren ze, als ik bepaalde verhalen uit de Bijbel mag geloven, helemaal niet tolerant. Jeruzalem was geen daadwerkelijke stad maar een paradijselijk ideaalbeeld, net als trouwens de naam Israël. Ik ga niet citeren wat in de Bijbel geschreven staat over de arrogantie van deze andersgelovigen t.a.v. de mensen die zich niet lieten bekeren. Maar die arrogantie kan ook gezien worden als een vorm van angst. De angst die ook de kern is van het huidige wanstaltige gedrag in Israël bv. tegenover degenen die de politiek/propaganda onderuit halen, zoals ook Shlomo Sand doet. Het blijkt steeds weer moeilijk en ook beangstigend voor veel mensen om van standpunt te veranderen. Ze durven de ketens waarin ze verward zijn geraakt niet los te gooien maar denken dat ze vrij zijn.

  2. April 7, 2016 at 5:46 pm

    Sorry, Engelbert. De joodse ballingschap vond niet in de 5de maar in de 6de eeuw (in 586) plaats.
    Herman

  3. Sjouke Bergsma
    April 8, 2016 at 7:10 pm

    Goed verhaal. Iedereen zou het moeten lezen

Comments are closed.