Nurit Peled-Elhanan: een moeder in Israël

Als ik aan de vele mythen denk is er een die erg schadelijk is, en dat is de mythe van landen.
Jorge Luis Borges

 De ouders van Elik Elhanan protesteren bij het politiebureau van Ashdod.
(Foto: Oren Ziv/ Activestills.org)

* * * * *

Nurit Peled-Elhanan is een Israëlische academica en activiste. Zij doceert aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem.  In 2001 ontving zij de Sacharovprijs voor de Vrijheid van Denken van het Europees Parlement.  Dit jaar verscheen van haar het belangrijke boek ‘Palestine in Israeli Schoolbooks’, waarin zij de beeldvorming van de Palestijnen in het Israëlische onderwijssysteem analyseert. Zij is tevens een van de oprichters van het Russell Tribunal on Palestine.

Op 20 oktober jongstleden werd het hulpschip de Estelle, in een poging de maritieme blokkade van Gaza te doorbreken, door een overmacht aan militaire schepen belaagd en geënterd in internationale wateren. De opvarenden werden hardhandig in hechtenis genomen, waarbij onder ander gebruik werd gemaakt van tasers (stroomstootwapens).  Ook al was er niemand aan boord die verzet bood. Er werd geen uitzondering gemaakt voor de internationale parlementariërs die aan boord waren. Zij mochten niet eens contact opnemen met hun ambassades.

Nurits zoon Elik was ook aan boord. Dit is haar verslag van hoe het hen verging op het politiebureau. ‘Bibi’ in de tekst is de huidige minister-president van Israël, Benjamin Netanyahu. Hij is van de rechtse Likoedpartij. Lieberman is Avigdor Levi Lieberman, aanvoerder van Jisrael Beeténoe, een rechts-nationalistische politieke partij.

* * * * *

Hoe het is de moeder van een gevangene te zijn

Het is algemeen bekend dat praten over vrede en vriendschap, dat goede verhoudingen met onze Palestijnse buren en met de Arabische landen om ons heen, en het geven om (niet-joodse) anderen, in Israël als misdaden worden beschouwd. Daarentegen is het doden van Palestijnen, het vergiftigen van hun waterbronnen en het vernietigen van hun levensonderhoud, het uithongeren, opsluiten en martelen van hen en hun kinderen erg “in de mode” in Israël.

De afgelopen dagen heb ik, als moeder van Elik, een van de passagiers op het schip de Estelle dat probeerde de blokkade van Gaza te doorbreken en meer publiek bewustzijn te creëren van deze misdaad, de Israëlische “mode” aan den lijve ondervonden.

De beschuldigingen aan het adres van mijn zoon en zijn twee vrienden, Yonathan Shapira en Reut Mor, wier lichaamen (en geesten) nog steeds de sporen vertonen van de tasers, de klappen en de meest abjecte vernederingen, verminderden heel snel van “bewust de vijand helpen, provocaties, opstand aanwakkeren, niet-humanitarie goederen smokkelen” in “een poging op illegale wijze een deel van het land van Israël binnen te dringen dat buiten Israël ligt”, maar ook die laatste beschuldiging werd direct weerlegd.

De beschuldigingen waren een antwoord op een direct bevel van de militaire stafchef, die schaamteloos vroeg – zoals in alle kranten heeft gestaan – om een reden te vinden, welke reden dan ook, om hen te arresteren.
Toch begon ik in mijn wanhoop te vermoeden dat de militaire stafchef zijn orders waarschijnlijk gekregen had van niemand minder dan mijn beste jeugdvriend om “dit linkse  tuig een lesje te leren dat ze niet zouden vergeten”, zodat niemand zou kunnen zeggen dat de minister-president in verkiezingstijd beïnvloed was door de wetenschap dat een van de opvarenden de zoon was van een schoolvriendin – die haar dochter verloren had tijdens Bibi’s eerste termijn als minister-president.

Arme stafchef, zijn pogingen liepen op niets uit. Maar dat geeft niet, hij heeft reeds zijn frustraties uitgeleefd op de inwoners van Gaza, zoals gebruikelijk.
Door de Israëlische politie werden wij, de familie en vrienden van de gevangenen, als medeplichtigen gezien. Zij hielden ons 15 uur lang buiten de zwaarbewaakte hekken van het politiebureau. Ze blaften ons af op z’n Amerikaans, elke keer dat we iets vroegen, en lieten ons  geen glimp opvangen van onze kinderen.

Gelukkig was de agent die belast was met het onderzoek onder de indruk van Yonatan. Hij liet hem zijn moeder bellen tijdens het verhoor en kwam uiteindelijk naar buiten om “Yonatans moeder” respect te betuigen. Tzvia wees me aan als Eliks moeder en hij liet ons beiden naar binnen (vaders tellen niet mee in sentimentele ontmoetingen).

De handboeien die ze om hun enkels en polsen hadden konden hun stralende gezichten niet verhullen, die de twee weken weerspiegelden van hun cruise in de Middellandse Zee met de beste mensen op aarde. De agent vroeg Yonatan zijn schoenveters aan zijn moeder te geven. Toen hij zich voorover boog keek hij plotseling op en zei:  “Moeder, realiseer je je dat als we in Syrië waren geweest jij ons nooit had mogen opzoeken? Kijk eens, moeder, wat een land we hebben! Dus er is nog steeds een kans, er is nog steeds een kans.” Hij keek om zich heen naar de twijfelende gezichten van de agenten en ik zou zweren dat op dat moment het hele politiebureau hem zou hebben gevolgd om de blokkade van Gaza te beëindigen, indien hij het gevraagd zou hebben. We verlieten het politiebureau in gezelschap van twee agenten die enthousiast aanboden de rugzakken van Elik, Reut en Yonatan te dragen.

Diezelfde agent die belast was met het onderzoek verscheen de volgende dag in de rechtbank als aanklager, gekleed in spijkerbroek en een kinderlijk, rood en blauw geblokt hemd. Ik herkende hem nauwelijks, maar hij lachte en naar de drie “criminelen” wijzend zei hij: “Het leek me ongepast om in uniform te komen met deze lui.” Ik adviseerde hem nooit meer een uniform aan te trekken en zich bij onze “macht” aan te sluiten. En ik voelde dat hij van binnen blij was dat alle beschuldigingen en straffen die hij had geëist in rook opgingen.

Hoe dan ook, andere vertegenwoordigers van de wet waren meer getrouw aan de staat en diens officiële lijn. Terwijl we op de kinderen zaten te wachten in de rechtbank werden we benaderd door een er respectabel uitziende advocaat die zei: “Ik zou jullie allemaal hebben doodgeschoten op zee als dat had gekund.” Toen trok hij zijn broekspijp op en toonde ons de reden voor zijn moordzucht: een plastic been dat “de Arabieren hem hadden gegeven”. Toen schreef hij zijn naam – Haim Shetrit – op een papiertje en spoorde mij aan hem aan te klagen. Zonder twijfel een man van de wet.

De volgende dag werden we opnieuw opgeroepen, de beheerders met hun vracht, om een DNA-monster te laten nemen. Deze keer mochten we plaatsnemen in de wachtkamer van het politiebureau, waar we een bezienswaardigheid voor nieuwsgierige ogen waren. Een agent vroeg ons te vertrekken en plaats te maken voor “burgers die het recht hebben hier te zitten”, en een jonge, vrouwelijke agent met een ondeugende paardenstaart zei: “Zijn dit de flotilla-mensen? Geef me een geweer zodat ik ze allemaal kan afschieten.”

Deze mensen zullen te gelegener tijd ongetwijfeld Liebermans loyaliteitstest doorstaan.

Nurit Peled-Elhanan